De geschiedenis van de brandweer
De brandweer is al heel oud zelfs de romeinen hadden al een brandweer.
Deze maatregelen omvatten onder andere het gebruik van stenen in plaats van hout voor muren en wanden; dakbedekking met pannen in plaats van riet en stro, maar ook regels voor het gebruik en toepassen van vuur. Haardvuren moeten ’s nachts gedoofd zijn, hete as in stenen potten bewaard enzovoorts. Na 1600 komt ook de ontwikkeling van de blusmiddelen op gang, zodat naast de bekende brandemmer ook primitieve brandspuiten ontstaan waar het water mee in de brand kon worden gespoten. Hoewel de Romeinen al vanaf het begin van onze jaartelling over een georganiseerde brandweer beschikten (onder andere in de stad Rome), bleef het in de rest van Europa nog honderden jaren behelpen en was er geen sprake van enige organisatie op het gebied van de brandbestrijding. De ontwikkeling van de brandspuit in al zijn vormen komt dan ook pas na 1600
op gang. Ieder land had zo zijn eigen ontwikkelingen en modellen. Zo was in
Nederland een uit Duitsland afkomstige brandspuit erg populair. Deze was het
ontwerp van de smid Hans Hautsch afkomstig uit Neurenberg. Amsterdam beschikte
in 1654 over maar liefst 58 van deze brandspuiten. Het water werd door middel van emmers aangevoerd, en de brandspuit moest altijd heel dicht bij de brand worden opgesteld om effectief te kunnen blussen. Er vonden dan ook veel ongelukken plaats waarbij brandspuit en de bedienings mensen werden getroffen door bijvoorbeeld een omvallende muur of een instortende gevel. Jan van der Heijden Van der Heijden was eigenlijk een uitblinker in alles, zoals een uitstekend tekenaar, technicus en handelsman. Eigenlijk een soort Nederlandse “Leonardo da Vinci”, die naast uitvindingen op allerlei gebied ook nog schilderstukken heeft gemaakt die behalve in het Rijksmuseum en het Mauritshuis ook te vinden zijn in onder andere de National Gallery in Londen. Hij is het die Amsterdam verloste van stankoverlast, veroorzaakt door het stilstaande water, door het ontwikkelen van een sluizensysteem waardoor een betere doorstroming ontstond. Veel eer en bewondering ontving hij met zijn plan voor aanleg en onderhoud van de straatverlichting. Hierbij werd voor het eerst gebruik gemaakt van genormaliseerde onderdelen, en in lensvorm geslepen glazen voor een betere lichtopbrengst. Door de grote brand van het stadhuis in 1652 werd zijn aandacht getrokken door de bijna onhandelbare brandspuiten, en de ongeorganiseerde bediening hiervan. Hij ontwikkelde een veel handzamer brandspuit die – en dit was nu écht een uitvinding – voorzien was van brandslangen! Zijn brandspuit was gemakkelijker te vervoeren en kon op veilige afstand van de brand worden opgesteld. Door middel van de brandslang met straalpijp was het van nu af mogelijk het bluswater vanaf elke gewenste plek in de brand te spuiten! Zijn leven lang heeft Jan van der Heijden gewerkt aan verbeteringen hiervan, zodat uiteindelijk een slangenbrandspuit ontstond, die ruim 2 eeuwen lang voor de brandbestrijding zou worden gebruikt. Omdat ook de brandweerorganisatie van de hoofdstad door hem grondig werd ve rbeterd, volgde in 1676 zijn benoeming tot “Generaal-brandmeester”. In 1690 verscheen zijn bekende boek over het gebruik en de toepassing van de slangbrandspuiten, en inmiddels genoot zijn woonhuis en fabriek in de Koestraat grote bekendheid in binnen- en buitenland.
Met de stoombrandspuit werd het mogelijk om grote hoeveelheden water uit bijvoorbeeld grachten te pompen. Het water werd dan door middel van slangen en straalpijpen op de brand gespoten. Het melden van een brand kon nu plaatsvinden via brandmelders die door middel van telegraaflijnen aangesloten waren op een brandweeralarmcentrale. Uiteindelijk werd de telefoon het voornaamste middel om een brand te melden. De stoombrandspuit heeft maar een kleine 50 jaar dienst gedaan. Met de komst van de verbrandingsmotor werd het natuurlijk veel eenvoudiger om een pomp te laten draaien in plaats van met de toch wel gecompliceerde stoommachine. In 1908 werd in Nederland, bij de Utrechtse brandweer, de eerste autospuit in dienst gesteld. Een autospuit is een automobiel waarvan de motor niet alleen voor het rijden, maar ook voor de aandrijving van de bluspomp wordt gebruikt. Organisatie Zo werden er ook beroepsbrandweermensen aangesteld. Amsterdam kreeg in 1874 als eerste stad van ons land een volledige beroepsbrandweer! Dit gebeurde later ook in Den Haag en Groningen. Veel grote plaatsen zochten het echter in een tussenoplossing van beroeps- en vrijwillig personeel. In Rotterdam bijvoorbeeld bestond de brandweer tot 1969 bijna uitsluitend uit vrijwilligers. Vandaag de dag telt ons land veel beroepsbrandweerkorpsen en beroepsmensen in kleinere gemeenten. Het grootste deel van alle brandweermensen bestaat echter nog steeds uit vrijwilligers. Tweede wereldoorlog Pas tijdens de Duitse bezetting werden tal van maatregelen genomen waardoor brandweer Nederland wel moest normaliseren. Zo werden slangkoppelingen en armaturen genormaliseerd, en werd de samenstelling en werkwijze van een blusgroep vastgesteld. Dit laatste is beter bekend onder de naam “aflegsysteem”. De inmiddels opgerichte “rijksinspectie van het brandweerwezen” zorgde voor de nodige richtlijnen en voorschriften, en oefende tevens controle uit op de naleving hiervan.
Al met al is de brandweer uitgegroeid tot dé hulpverleningsdienst voor de burger in nood, en is het dé coördinerende dienst bij het optreden in geval van een ramp. Bron: A.J. Vesseur, Nationaal Brandweermuseum Hellevoetsluis |
Gepubliceerd op 23 september 2009 |

Primitieve
brandblussing
Was
de brandbestrijding nu beter geregeld, andere onderdelen zoals de ontdekking van
brand en de alarmering van de brandweer bleven eeuwenlang ongewijzigd. Vroeger
was iedereen verplicht bij het ontdekken van een brand luidkeels “BRAND!” te
roepen. Een belangrijke taak werd ook vervuld door de torenwachter die bij het
lopen van zijn ronde de omgeving aftuurde op mogelijke rook- en/of
vuurverschijnselen. Ook de nachtwakers en klepperlieden letten goed op of er
nergens rook of vuur te bespeuren viel. Ontdekte de torenwachter ergens brand,
dan blies hij op zijn hoorn waarop de nachtwakers en kleppermannen voor verdere
alarmering zorgden. Brandklokken werden geluid, en heel de stad kwam in rep en
roer. Overdag met een vlag, en ’s nachts met een brandende lantaarn, gaf de
torenwachter dan aan in welke richting de brand woedde. Pas na 1850 kwam in dit
alles verandering.
Deze
veranderingen waren het gevolg van belangrijke feiten, zoals de komst van de
waterleiding, de uitvinding van de stoommachine, en de uitvinding van telegraaf
en telefoon. Door de waterleiding te voorzien van een aansluitmogelijkheid voor
brandslangen, de zogenaamde brandkranen, werd het mogelijk voor de brandweer om
direct na aankomst op de brandplaats snel tot blussen over te gaan, zonder dat
hiervoor een pomp moest worden opgesteld.
Ook
de organisatie van de brandweer onderging de nodige verbeteringen. Er werden
vrijwillige brandweerkorpsen opgericht. Deze bestond en bestaat nog steeds uit
mensen die naast hun gewone werk ook brandweerdienst verrichten.
Tot
de Tweede Wereldoorlog was de brandweerzorg uitsluitend een gemeentelijke zaak.
Na
de Tweede Wereldoorlog, dus vanaf 1945, werd de brandbestrijding en alles wat
hiermede samenhangt, constant verbeterd en aangepast aan de ontwikkelingen op
dit gebied. Ook het takenpakket van de brandweer werd steeds meer uitgebreid.
Ooit begonnen met hulp bij verkeersongevallen voor het bevrijden van
slachtoffers, is er nu sprake van hulpverlening en rampenbestrijding in de
ruimste zin van het woord.