De meeste brandweermensen zijn vrijwilligers c.q. part-timers. Zij hebben een
gewone baan. Ze werken bijvoorbeeld in een winkel, op een kantoor of in de bouw.
Ze worden opgepiept als ze naar de brandweerkazerne moeten komen. 's Nachts
slapen ze gewoon thuis. Ze kunnen dan ook gealarmeerd worden. Een paar avonden in de week gaan ze naar de brandweer toe om te leren en te
oefenen hoe ze branden moeten blussen, hoe ze mensen moeten redden uit
verongelukte auto's enz. Daar moeten ze ook examen in doen. Ze leren precies hetzelfde als de beroepsbrandweermensen en krijgen ook
hetzelfde examen. Dat kost best veel tijd, maar dat maakt hen niets uit, omdat
ze zo graag bij de brandweer werken. Alarm!
De alarmcentrale van de brandweer krijgt de meldingen binnen via het 1-1-2
alarmnummer. Ze wordt zo gewaarschuwd voor brand en ongevallen. De alarmcentrale
waarschuwt de brandweermensen. Alarmeren heet dat. Dit alarmeren kan op
verschillende manieren:
- Sirene / bel en of lichten
Brandweermensen die in de kazerne zijn, worden meestal gealarmeerd via een
sirene en lichten.
- Pieper
Brandweermensen die niet in de kazerne zijn, worden meestal door een pieper
gealarmeerd (zie afbeelding). Een pieper is een zwart apparaatje dat je in je
zak kunt stoppen. Het gaat piepen als je moet komen omdat er brand is of er een
ongeluk is gebeurd. Je kunt er niet door praten.
- Portofoon / mobilofoon
Door een portofoon en een mobilofoon kun je wel terugpraten. Deze hulpmiddelen
worden gebruikt om brandweermensen te alarmeren die al bezig zijn. Bijvoorbeeld
met een kat uit een boom halen of een kelder leegpompen. Als er ergens anders
brand of een auto-ongeluk is, worden ze gewaarschuwd via de portofoon of
mobilofoon. Ze gaan dan naar de brand of het auto-ongeluk, want dat is
belangrijker.
- Portofoon
De portofoon (zie afbeelding) is een draagbaar zwart apparaat met een kleine
antenne. Het is hetzelfde als een walkietalkie. De bevelvoerder gebruikt de
portofoon om goed te kunnen overleggen met andere brandweermensen. Denk maar
eens aan een brand in een groot gebouw. Je kunt dan niet naar elkaar schreeuwen.
Bijvoorbeeld wat er aan de hand is. Waar je mee bezig bent. Wat anderen moeten
doen. Enzovoort. Met een portofoon kan de bevelvoerder doorgeven wat de mensen
van zijn ploeg moeten doen. De brandweermensen kunnen weer aan de bevelvoerder
vertellen wat ze zien en waar ze mee bezig zijn.
- Mobilofoon
De mobilofoon is niet draagbaar. Hij is vastgemaakt in de brandweerwagen. Hij
lijkt een beetje op een autoradio. Hij wordt gebruikt om boodschappen aan de
alarmcentrale door te geven. Bijvoorbeeld wanneer de brand uit is en wanneer de
ploeg teruggaat naar de kazerne. De alarmcentrale geeft ook boodschappen via de
mobilofoon door aan de brandweerwagen. Zo wordt verteld of het een grote of
kleine brand is, of er slachtoffers zijn en of er gevaarlijke stoffen aanwezig
zijn. De mobilofoon wordt ook gebruikt om berichten door te geven tussen
verschillende brandweerwagens.
Uitrukken
Brandweermensen die worden opgepiept, gaan zo snel mogelijk naar de kazerne.
Als er voldoende brandweermensen in de kazerne zijn, gaan ze zo snel mogelijk op
weg naar de brand of het ongeluk. Dat heet uitrukken. Afhankelijk van de grootte van de brand of het ongeluk, rukken er één of meer
brandweerwagens uit. Bij een kleine brand of een klein ongeluk is één
brandweerwagen voldoende. Maar bij een grote brand of een groot ongeluk is het
soms nodig om meer wagens te laten uitrukken. Om snel door het verkeer op de plaats van de brand of het ongeluk te komen,
heeft elke brandweerwagen blauwe zwaailichten en een sirene. Wanneer die
gebruikt worden, moeten andere weggebruikers de brandweerwagen voorrang geven.
|