“Brand”!
..... de Nagtwagters of wagtdoende personen zullen moeten uitroepen: Brand!
beneven de plaats waar dezelve ontstaan is ..... (art. 3 brandreglement 1818).
Tegenwoordig bellen we 112 en wachten we tot de hulpverlening arriveert.
Vroeger was het iets omslachtiger om de juiste mensen op de juiste plaats te
krijgen.
In het brandreglement van 1818 is de alarmering als volgt omschreven:
- onmiddellijk de brandweer en de burgemeester waarschuwen;
- aan de kerktoren een rode vlag (overdag) of een brandende lantaarns (’s
nachts) uithangen in de richting van de brand;
- luidkeels “Brand”! roepen in de omgeving van de brand;
- de burgers in de buurt optrommelen (een taak van de tamboers van de
schutterij);
- de grote torenklok luiden, zodat iedereen die gemist kan worden zich naar
het brandadres kan begeven.
De eerste brandweerlieden
..... de directie der Brandspuit zal onder opzigt van den Schout of deszelfs
plaatsvervanger worden toevertrouwd aan vier Brandmeesteren ..... (art. 7
brandreglement 1818). Er worden 4 brandmeester benoemd, zij hebben de operationele leiding in geval
van brand en beheren, onderhouden en repareren de brandspuit. Ze mogen zo vaak
als ze wenselijk achten oefenen met de brandspuit, waarbij de inwoners van de
gemeente bij toerbeurt aanwezig moeten zijn. Oefeningen moeten wel zo veel
mogelijk buiten werktijd plaatsvinden. Verder moeten de brandmeesters letten op
brandgevaarlijke situaties en die melden aan de burge-meester. Blussen: iedereen een taak
..... De rijen maken ten einde bekwamelijk de emmers met water naar den brand
gebragt, en zonder water terug gezonden kunnen worden, agt gevende dat de
zwakste personen aan die zeide worden gesteld, zijnde waar de Ledige Emmers
pasfeeren ..... (art. 6 brandreglement 1818). Brandbestrijding anno 1818 is niet alleen een zaak van de brandweer. Bijna de
hele Wijchense gemeenschap krijgt een taak toebedeeld bij het beperken en
blussen van brand.
Het gemeentebestuur moet zich verzamelen in het gemeentehuis om van daaruit
orders te geven. De burgemeester moet naar het brandadres om er op toe te zien
dat de orders uitge-voerd worden. Burgers en leden van de rustende schutterij
moeten zich in rijen opstellen voor het transport van de brandemmers. Sterke
mensen moeten de volle emmers doorgeven. De wat minder gespierden mogen aan de
kant staan waar de lege emmers langskomen.
De leden van de schutterij moeten de brandladders en brandhaken plaatsen. Ook
moeten ze bluswater scheppen en/of pompen. Iedereen die in de buurt van de brand woont moet direct een vat met bluswater
voor de deur zetten en zorgen dat het vat vol blijft. Ook moet iedereen zijn put
of waterreservoir onvoor-waardelijk ter beschikking stellen. Wie in de buurt van
het brandspuithuisje woont en paarden heeft, moet deze paarden beschikbaar
stellen voor het vervoer van de brandspuit.
Timmerlieden, metselaars en dakdekkers moeten het dak van het brandende pand op
om brandschade te voorkomen en te beperken.
Niet meewerken? Dokken!
..... een ieder zal zig hebben hebben te wagten van eenige Brandgereedschappen
agter te houden ofte verbergen, wordende elk en een iegelijk speciaal gelast,
dadelijk aangeving te doen van het geene ter zijne kennis zoude mogen komen, bij
contraventie op poene van correctioneele straffe ..... (art. 19 brandreglement
1818). Wie niet meewerkt of de kantjes eraf loopt in geval van brand, kan rekenen op
forse boetes (om u een indruk te geven: een gemiddeld maandsalaris bedroeg in
die tijd ƒ 25,00) of zelfs gevangenisstraf. De boetes worden in de gemeentekas
gestort om de kosten voor onderhoud en reparatie van de brandspuit te dekken.
Wat voorbeelden van boetes bij ‘onwillig of zuigmatig’ gedrag:
- te laat op de oefening verschijnen ƒ 0,50;
- geen vat met bluswater ter beschikking stellen ƒ 3,00;
- niet in het bezit zijn van een brandemmer ƒ 3,00;
- de rijen voor het transport van brandemmers zonder geldige reden verlengen ƒ
8,00;
- schoorsteen niet halfjaarlijks vegen ƒ 10,00;
- geen paarden ter beschikking stellen voor het vervoer van de brandspuit ƒ
10,00;
- toegang weigeren tot je pomp, put of waterreservoir ƒ 12,00;
- brandweergereedschap achterhouden of stelen, of daarvan geen aangifte doen:
gevangenisstraf!
Kordaat optreden wordt beloond
Uiteraard wordt kordaat en vooral snel optreden “vorstelijk” beloond.
- Wie het eerst met z’n paard(en) de brandspuit naar het brandadres heeft
gebracht, krijgt ƒ 6,00 mits de brandspuit daadwerkelijk ingezet is.
- Wordt de spuit niet gebruikt, dan geldt een beloning van ƒ 3,00.
- Wie het eerst met de grote brandhaak arriveert, kan rekenen op ƒ 2,00; de
tweede op ƒ 1,00 en de volgende zes op ƒ 0,60.
- Blijkt het gebruik van de haken niet nodig, dan krijgt een ieder de helft
van deze bedragen.
Overigens worden deze premies alleen uitgekeerd als alle spullen weer netjes
opgeruimd en teruggebracht worden.
En de brandmeesters zelf? Die moeten ervoor zorgen dat de brandspuit in goede
staat verkeert. In ruil daarvoor worden ze enkele dagen per jaar vrijgesteld van
gemeente diensten. In de loop van de 19e eeuw (1842, 1856) wordt het Brandreglement voor de
gemeente Wij-chen regelmatig herzien. Brandbestrijding wordt meer en meer een
taak van speciaal daarvoor aangestelde brandweerlieden. Brandmeester krijgen een
soort van ‘uniform’: ze zijn te herkennen aan ‘eene blauw lakensche of lederen
pet, gemerkt met zilverdraad’. De Wijchense brandweer krijgt een wat
professioneler aanzien. Het ‘brandwezen’ wordt dan ook als volgt ingericht.
Het personeel bij de blusmiddelen bestaat uit:
- een brandmeester;
- onderbrandmeesters;
- pijpvoerders;
- pompers;
- slangendragers;
- lantarendragers
- brandwachten.
Bij brand wordt dus niet meer zomaar Jan en Alleman ingezet. Brand wordt meer
en meer een zaak van de brandweer! |